Ds.Damsté werd geboren op 6 december 1824 te Ulzen ( Duitsland) als zoon van Pieter Damsté en Rolina Roelof Derks de Jonge.

Johannes Jacobus Damsté  werd predikant en werd beroepen te Ruinen in  1863, waar hij tot 1874 zou blijven. Hij kwam te Ruinen vanuit zijn vroegere standplaats Koekange en was duidelijk een zeer sociaal persoon .Hij werd de stuwende kracht achter de totstandkoming van een leesgezelschap in Ruinen, met name ook bedoeld om de mensen in Ruinen een nuttige bezigheid te verschaffen gedurende de winteravonden. Boeken en tijdschriften liet men rouleren onder de leden. Het was zo’n succes, dat men het niet bij lezen alleen wilde laten maar het houden van gezellige avonden leek ook wel aardig. In december 1864 startte de vereniging “Tot Nut en Genoegen”, waar Damsté voorzitter van werd. Vanuit deze vereniging werd per mei 1865 de Spaarbank opgericht, waarvan Damsté president werd. Damsté wist hoe moeilijk mensen het konden hebben. In de zomer wel werk en in de winter niet. Dus armoe in de winter. Hij wist de mensen ertoe te bewegen om “iets “ van het zomerse inkomen opzij te leggen, zodat men daar in de wintermaanden van kon profiteren. En daar was dus de Spaarbank voor in het leven geroepen. Dit was overigens geen nieuw fenomeen. Reeds in 1784 was te Edam opgericht het Genootschap van Konsten en Wetenschappen, overigens ook door een predikant ( Jan Nieuwenhuyzen ) met als zinspreuk “Tot Nut van ’t Algemeen. Over het gehele land, met name ook op het platteland, ontstonden tal van afdelingen, zo ook onder andere te Marne/Winsum ( 1 april 1829 ) en in Uithuizen. Later zou ds.Damsté vice-voorzitter worden van de afdeling Winsum, waar hij in 1889, ter gelegenheid van het 60 jarig bestaan van de afdeling een rede hield,  waarin hij onder andere de volgende tekst uitsprak: “Dat ons departement aan zoo vele nuttige inrichtingen niet alleen zedelijken, maar ook geldelijken steun kan geven, heeft het mede te danken aan de uitstekende administratie die bij de spaarbank bestaat. Sedert 1883 wordt er in de kas van het departement 2% gestort van het reservefonds, wanneer dit fonds meer dan 10% bedraagt van het kapitaal. Zoo komt een deel van het geld weer ten goede waar het behoort, nl.. aan het volk.”.
Zoveel voor anderen mogen betekenen als “ herder ” in de gemeente is mooi, maar krijgt in mijn optiek nog meer glans als men weet hoeveel persoonlijk leed deze man in  zijn leven te dragen kreeg .      


Ds.Damsté was op 14 februari1854 in De Wijk gehuwd met met Margaretha Wilhelmina Damsté (meisjesnaam is ook Damsté). Er werd een zoon geboren.. Reint genaamd. De jongen werd geboren op 30 maart 1861 en overleed op 6 september 1861. ( 5 maanden oud ) Er werd wederom een zoon geboren, Reinder genaamd. Deze zag het levenslicht op 29 november 1862 en overleed op 30 juli 1863. ( 8 maanden oud ) Zijn vrouw Margaretha Wilhelmina overleed vervolgens, 2 jaar later, op 1 augustus 1865  in Ruinen. Uit het huwelijk werden nog enkele andere kinderen geboren, te weten dochter Roelina in 1854, zoon Pieter in 1856 en dochter Baukje Wilhelmina in jet jaar 1859. 
Damsté hertrouwde vervolgens op 1 oktober 1868 met de dochter van zijn voorganger ds.Borchard Ansingh, genaamd Titia Magrita. Laatstgenoemde raakte in verwachting van een tweeling, waarvan 1 kind levenloos ter wereld kwam, terwijl het andere kind een zoon bleek te zijn,die de naam Willem kreeg en geboren werd  op 21 juli 1869.. En of het verdriet nog niet genoeg was overleed zijn vrouw Titia 1 maand later op 31 augustus 1869. Weer een maand later overleed op 3 oktober 1869 ook zoon Willem.
Op 6 september 1874 vertrekt ds.Damsté uit Ruinen.
Predikant J.J.Damsté overleed op 13 december 1908 op 84-jarige leeftijd en ligt begraven op de Noorderbegraafplaats in Groningen, samen met zijn dochters Roelina, overleden op 15 maart 1916
( 61 jaar ) en Baukje Wilhelmina, overleden op 4 januari 1951 ( 92 jaar).

Predikant Johannes Jacobus Damsté