HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER
geschreven door Tale Zondag (1850 - 1941)
Ruinen was (+/-1869) nog een echt Drentsch dorp met oude zeden en gebruiken. Het had zijn brink meteen forsche linde (waarover straks nog iets) ongeveer in 't midden en rondom kerk, school en de woningen van bakker, smid, winkelier enz. met daartuschen enkele boerderijen. Midden door het dorp liep de kunstweg (diligence rit Meppel-Assen) van Meppel over Ruinerwold, Ruinen, Pesse, Beilen, Assen e.v. Vijf zandwegen leidden buiten de brink naar bouw en weidelanden. Daaraan vond men de rest der boerderijen, bijna allen nog enigzins in saksische bouworde. De boeren hielden ook nog Drentsche schapen (heideschapen) en dientengevolge waren de spinmalen nog volop in zwang en deed de landplak nog zijn dienst.
Vroeg in de namiddag zag men de meisjes (magies) met het spinnewiel onder den arm de Brink overstappen naar de boerderij, van waar de uitnodiging (neuging) uitgegaan was, tot vermaak van de jongelingschap, die 's avonds uitgingen om spinnewiel en spinster naar huis te brengen. Tengevolge van de spinmalen, waar de wol der Drentsche schapen tot garen werd gesponnen, had iedere boer een groot kwantum garen. Daarvan liet men natuurlijk ook kousen breien maar tevens weven: Vijf schaft voor "jakken", rokken, hemdrokken, kleedingstof. Zondags zag men de boeren en boerinnen in geweven kleergen van eigen garen -ter kerk gaan. Destijds had ieder dorp zijn wever en was dagelijks het gerikketik van de "weefstoel" te horen.

Tot de goede zede behoorde ook dar uit ieder gezin een paar leden naar de kerk gingen. Voor sommigen was er behalve het aanhoren van de preek nog een reden om de kerkgang niet te verzuimen. De lindeboom op de Brink had aan zijn voet een uitwas. Als je daarop stond, zag je over de hoofden van de menschen, die rondom geschaard waren. Welnu, na de preek verzamelde de menigte zich om de linde in afwachting van den meester. Van deze verwachtte men dat hij "kundingcedels" (afkondigingen) had van notaris, burgemeester, particulieren. Want wij zijn hier in de tijd dat men te plattelande geen advertentieblad had. Een hoogst enkele las de Drentsche courant, die een keer per week uitkwam. De meester kwam, beklom de uitwas, haalde zijn papieren voor den dag en las voor een aandachtig gehoor het nieuws voor. Hij verdiende per stuk 15 ct. Die goede tijd! Vraag nu (1938) eens een hoofd van een school of hij als knechte je van den notaris, burgemeester enz op een plein wil gaan staan om voor drie stuivers af te lezen een advertentie. "Gij zijt aan het verkeerde adres" zou de man op zijn zachtst zeggen. Maar toen moest men wel op de kleintjes letten en moest de meester zijn klein salaris verbeteren door allerlei postjes aan te nemen.

In Ruinen was de meester ook koster, voorlezer, voorzanger, klokkenist e.d. Destijds was er weinig geld in omloop. De producten van de boerderij prijsden laag. Een kilo boter voor 30 ct; koren goedkoop; vee goedkoop. Goede salarissen kon men niet betalen. Minimum hoofdonderwijzer 400 Gld. Bij winterdag stond een arbeider voor 30 ct een geheelen dag te graven en bracht Zaterdagavond f1,80 in huis. Moeder-de-vrouw keerde een dubbeltje twee keer om, eer zij het uitgeeft. Maar menig huisvrouw verdiende er wat bij door het spinnen. Geen huisgezin was er haast in Ruinen of het bezat een spinnewiel. Waar zij we gebleven! De ruiners waren gul en gastvrij, maar niet openhartig. Kwam je op een voormiddag op bezoek, dan was in een ogenblik de koffie gereed. Men deed er voor de zuinigheid weinig koffie maar veel cichorei in. Tegelijk werden er ook plakken (eigengebakken) Drentsche bol naast je kopje (saksisch) neergelegd en dan was het:" Toe nou, mo je ook aanpakken". Een avondvisite werd besloten met een schotel "rijstebrij" die zoo stevig was gemaakt, dat de lepel er rechtop in bleef staan. De kom kwam midden op tafel te staan, zooveel lepels stonden er rechtop in als er aanzittenden waren. 't Waren ronde binnenlepels, met een korte steel. Na even achter de pet gescholen te hebben werd toegetast. Geen borden, ieder lepelde rechtstreeks uit de kom, tot er een was, die het hondje werd. Gezellig kon je om het haardvuur zitten. tabak werd niet gepresenteerd, sigaren had de boer niet. "Beuze" rokers waren er niet. Je sprak over koetjes en kalveren of vertelde een grap, maar het gesprek bleef neutraal, intiem of openhartig -nee, dat niet! Want als je je hart vanavond openbaarde, begonnen je hartsgeheimen morgen hun loop door het dorp met de noodige bijvoegingen en dat liep nooit ten gunste van je af. 't Is niet overal een Oostloorn! Om praatjes te voorkomen liet je liever niemand in je "binnenste" kijken.

De Ruiners waren over 't algemeen goedaardige menschen. Maar het was daar als overal elders: is de drank in den man, dan is de wijsheid in de kan. Vooral gold dit voor de jongelingschap. Op de kermis of zoo werd er nogal ruim gedronken uit het half oorde. Dat was niet de oude inhoudsmaat, maar een glaasje zonder voet en de bovenrand naar buiten omgebogen. Met een man of wat kocht men een half oord (inhoud +/- een thee kop). Maar naarmate er meer half oordjes gedronken werden, werd de stemming woeliger, de pet kwam op een oor en uitdagingen werden dra geuit, die op een vechtpartij uitliepen, waarbij ook wel messen getrokken werden. Een oud soldaat beroemd zich er wel op, dat hij vijanden doodgeschoten heeft, maar de Ruiner jongelingen gingen er prat op, dat zij overwinnaars in het gevecht waren. En de politie? Wel, de jongens waren zo dicht als een pot. Processen-verbaal, neen hoor, stukgesneden kleeren werden tehuis hersteld, een snee over de wang of hand werd ook beredderd. Meestal bleef er een leelijk lidteken van over, maar daar kon je roem op dragen als een matroos op een getatoeeerden arm. Schande stak er niet in. Een enkele keer werd de steek te hevig en volgde de dood. Dan kwam de justitie uit Assen om de zaak op te knappen. Maar er werd voor de rechtbank wel een valsche eed gedaan om de dader te verschoonen. Jammer, en toch getuigde dit voor een diepe vriendschap.

Ruinen lag destijds zeer afgelegen, zoowat geheel buiten het wereld verkeer. Daardoor werden de bewoners eigenaardig. Vreemdelingen zag men zelden. Kwam zo iemand, dan was men zeer neutraal, ja met een tikje vijandschap, of tenminste vrees daarvoor, wat zo'n vreemde sinjeur hier te maken had. Fietsen, auto's, bussen waren er niet, de spoorwegen nog heel ver weg en zie, daar komt een nieuwigheid: een diligencedienst Meppel, Ruinerwold, Ruinen, Pesse, Beilen, Assen met een bijwagen Hoogeveen-Pesse. In Ruinen schudde men het hoofd over dit vreemde. Zij hadden daar wel gehoord over de dienst van Van Gent en Loos: Groningen, Assen, Smilde, Meppel, Zwolle. Nu, maar over Ruinen, nietswaard! Altijd al zoo geweest: bij bekrompen menschen zulke gedachten. Het spul zag er ook niet erg appetijtelijk uit: een paar magere paarden voor een "kast" die over het beste heen was. Geen schitterend begin! Daardoor werd dat nieuwe nog minder welwillend ontvangen.
Nu trof het, dat Zondagsavonds, als de jongelingschap reeds op straat zwierf, de diligence Ruinen binnenreed. Daar moest dan gepauseerd worden, de paarden moesten even rusten voor de verdere reis. De voerbak (kribbe) stond klaar, de dieren werden gesterkt met wat brood en haver en de koetsier verdreef de koude intusschen binnenshuis. De Ruiner jongens namen onderwijl de vrijheid de deuren van de diligence te openen en eens te kijken, wie toch wel zoo' n reis ondernamen. Als de passagiers maar rustig bleven, geschiedde er geen kwaad. Als eindelijk alles voor de verdere reis gereed was, de voerman de bok had beklommen en het voorwaarts commandeerde, hadden de jongens de aardigheid de achterste raden vast te houden en dan konden de arme paardjes den wagen niet in beweging krijgen. 't Heette een grap maar de Ruiners gingen niet met de diligence; zij bleven zich houden aan de linnenwagen, of reden met koopman Luchien v.v. Maar al zag men in 't algemeen geen heil in het nieuwe, als het geïmporteerd werd, anders was het niet het nieuwe, als het uit eigen kring werd binnengebracht. Zoo kwamen op een avond twee jongelingen bij den bovenmeester met een verzoek, waaraan deze geen lust had, maar hen verwees naar de ondermeester, die zij op zijn opkamertje zouden vinden. Nu daar deden zij hun boodschap. Zij hoorden, dat in sommige dorpen comedie werd gespeeld en nu voelden zij roeping om ter ere van hun dorp niet achter te blijven. Zij hadden met drie vriendjes een comediestukje gestudeerd, of de ondermeester, hun dit wilde uithoren en zeggen, hoe zij nu doen moesten. De ondermeester had echter ook geen verstand van comedie, maar hij wilde wel mee in den bond. In 't geheim werd er in een bovenschuur gerepeteerd, de jongens kenden hun rol als de schooljongens hun a b c. Maar zij zeiden het op een dreun. Daar moest wat voordracht ingebracht worden en dat was zoo moeilijk, dat het maar voor een klein deel gelukte. Toch beklom op zekere Zondag de meester de boomstronk en las het luisterend publiek voor, dat eenige jongelui een comediestukje zouden opvoeren en ieder uitnodigden te komen hooren, entree 10 ct.

Het toneel? Wat doe je zonder geld en zonder crediet? Een markttafel diende tot toneel, een tafeltje moest daarop staan, maar omdat het te breed was, werd het middendoor gezaagd en leunde op twee poten tegen de muur, die de achterwand van het toneel uitmaakte, aan elke kant van het halve tafeltje een stoel en het toneel was aangekleed. Coulissen waren onnodig.
Eenige lakens, een elkaar getipt, verborgen voor het publiek het toneel. De avond was gekomen, het publiek had de "jachtweide" gevuld, het middelste laken werd weggenomen. Op iedere stoel zat een jongeling en het spel nam een aanvang, liep goed af en de eerste voorstelling in Ruinen was een feit geworden en werd besloten met gemeenschappelijk gezang. Muziek ontbrak.