De Mariakerk
                              

De Mariakerk, inclusief de toren, dateert in zijn huidige vorm uit 1423. Vóór die tijd was er sprake van een kerk gebouwd in Romaanse stijl.De kerk, gewijd aan de Heilige Maagd Maria, bleef (na 1325 dus) rechtstreeks onder toezicht van het klooster te Dikningen, die ook het zogenaamde Jus Collationis bezat.
Begin 1500 is er sprake van dat het patrocinium van de Mariakerk in Ruinen  is gewijzigd in St. Johannes Evangelist. Per welk moment dat heeft plaatsgevonden of de direkte reden daarvan, is niet bekend. (Archief Dikningen, regest 344/ 1509 - 1525).
                              
Vaak gebeurde dit na een nieuwe wijding, bijvoorbeeld na een herbouw van een kerk. Behoudens in bovenvermeld regest komt deze naam verder niet meer met betrekking tot de kerk in Ruinen voor, zodat je je kunt afvragen of er wellicht sprake is geweest van een vergissing in het opstellen dan wel overschrijven van de betreffende akte. Aan de kerk, bestaande uit schip, priesterkoor met daaraan gebouwd de Onze Lieve Vrouwe kapel, werd door Jan van Ruinen en Swedera (Zwedera) van Rechteren een kapel gebouwd en wel aan de zuidzijde. Deze kapel werd St.Catharinakapel genoemd, ook wel bekend onder de naam  Kapel des Heren of de Herenkapel.
                              
Zo terloops was er ook al even sprake van een verbouwing in 1423. Het tufstenen gebouw, met haar Romaanse, ronde ramen werd toen omgetoverd in een gotisch bouwwerk met een viertal traveeën, gescheiden door steunberen. De Romaanse vensters, voorzien van glas in lood ramen, verdwenen. Hiervoor kwamen zogenaamde spitsboogvensters in de plaats, met onder elk der vensters, binnen in de kerk aan de zuidmuur, een korfbogige nis. Dergelijke nissen ontbreken in de noordmuur. Deze noordmuur bestaat nog voor zo’n 70 à 80 % uit tufsteen, vermoedelijk voor een deel hergebruikt materiaal, wellicht afkomstig van de voormalige kloostergebouwen.
                              
Meer naar boven toe is er gebruik gemaakt van een andere steensoort, een fors formaat baksteen. Na ongeveer 12 rijen baksteen, bevindt zich weer een laag tufsteen. Daarboven bevindt zich hetzelfde soort tufsteen als welke gebruikt is voor de toren.  Waarom vond eigenlijk die verbouwing plaats? Is er door omstandigheden van buitenaf een noodzaak toe geweest?  Een brand of wellicht een heftige storm ? Het zou allemaal kunnen doch daar zijn in het geheel geen aanwijzingen voor gevonden. Echter in de eerste helft van de 15e eeuw werd er enorm gebouwd aan de kerken in Drenthe. En het opvallende is dat er qua details zoveel overeenkomsten waren, dat het een voor de hand liggende conclusie zou zijn, indien we zouden stellen dat één en dezelfde architect hier debet aan zou zijn.
                              
In diverse literatuur komt in dat kader de naam Johan die Wercmeyster voor, destijds een inwoner van Ruinen, doch concrete bewijzen hiervoor zijn niet gevonden. Opvallend is verder dat de kerken, waaraan in genoemde periode nogal wat werd ge- en verbouwd , buiten de kerk in Ruinen, het voornamelijk eigenkerken waren van het klooster te Dikningen (Beilen, Blijdenstein en Westerbork) In  het oostelijk gedeelte van de noordmuur werd een venster dichtgemaakt, terwijl dit kennelijk ook was gebeurd met een ingang in het middengedeelte van deze noordmuur. Bij een latere renovatie zou, bij het weer openen van deze ingang, blijken dat zich, boven de houten latei, die als bovendorpel dienst deed, een soort vlechtwerk van tufsteen bevond.
                               

Aan de westzijde  van het kerkgebouw bevindt zich de toren. Aan de noordelijke  zijde hiervan  bevindt zich een traptoren met een wenteltrap van 80 treden.  De toren in zijn huidige staat dateert uit 1423, zoals blijkt uit de tekst op een latei van Drachenfels trachiet boven de toegangsdeur. Dit trachiet is een grijskleurig uitvloeiingsgesteente , afkomstig uit het Duitse Siebengebirge, een vulkanisch gebergte dat circa 25 miljoen jaar geleden is ontstaan. (De Drachenfels is een 320 meter hoge berg in genoemd gebergte.)  De naam trachiet is afkomstig van het griekse woord “trakhus”, wat “ruw” betekent.  De verdiepingen van de toren worden gescheiden door   waterlijsten  van o.m. tufsteen. De tekst op de latei ( onder de lantaarn ) luidt:
int.iaer.ons.here.m.cccc.en.xxiii.is.dese.toern.gemaect
                              

Een verhaal op zich vormt de torenspits. Tijdens een storm in december 1661 is (een deel van) de spits naar beneden gekomen en het meest voor de hand liggend is, dat daarbij ook de kerk werd beschadigd. Direkt werd een subsidie aangevraagd bij de Ridderschap en Eigenerfden om de schade te kunnen herstellen. Men kreeg voor dit herstel een subsidiebedrag van 500 Carolus gulden, verdeeld over 2 jaar. Een Carolus gulden was van oorsprong een gouden munt, doch vanaf 1546 werd het een zilveren munt. Deze Carolus gulden vertegenwoordigde een waarde van 20 stuivers. In die periode was het dagloon van een geschoolde arbeider 1 stuiver per dag, doch die 500 Carolus gulden was kennelijk toch bij lange na niet voldoende om de gehele schade te herstellen. Ook het klooster in Dikningen en de familie van Echten heeft in de buidel getast. Toen men voor de 2e maal bij de Ridderschap en Eigenerfden aanklopte, kreeg men nul op het request. Inmiddels zal de belangrijkste schade aan de kerk wel gerepareerd zijn, maar er was nog steeds geen nieuwe spits.
                              

Overigens zou het zo kunnen zijn dat, wanneer men het over schade heeft, deze niet uitsluitend ten gevolge van een storm is ontstaan. In het eerste kwart van de 17e eeuw heeft de Mariakerk ook veel te lijden gehad van ingekwartierde soldaten, die zich, samen met hun families, hier gedurende een bepaalde periode hebben opgehouden. Er werd gespeeld in en om de kerk, er werd gekookt in de kerk en de kerkbanken, alsmede het oude orgel, zouden gebruikt zijn om hun vuren brandend te houden.
Uiteindelijk was er, rond 1688, voldoende geld beschikbaar voor een andere spits. Deze spits was echter een stuk lager dan zijn voorganger, had een eenvoudig lantaarntje en was afgedekt middels een koepeltje. Van deze situatie zijn diverse prenten gemaakt, b.v. in 1786. Maar dan maakt ook ene Spilman een gravure van de kerk met toren. Vrijbuiter als hij was tekende hij kennelijk niet naar de werkelijkheid, maar dichtte zichzelf de vrijheid toe een eigen interpretatie van de torenspits af te beelden.Op zich geen probleem natuurlijk echter, het (toren)muisje zou nog een staartje krijgen.
                              
Door de tand des tijds veroorzaakt, diende er in 1952 werkzaamheden aan de toren te worden uitgevoerd. Laat nu de Rijksdienst voor de Monumentenzorg beslissen dat de toren gerepareerd wordt volgens de afbeelding die Spilman had vervaardigd, dus met een ui-vormige bekroning. 
In de loop van de 18e eeuw begon de teloorgang van het kerkgebouw. In het begin van de 19e eeuw leek men langzamerhand te ontwaken. Immers de Landdrost van Drenthe gaf opdracht aan de heer Slot, bouwkundige te Meppel om een rapportage samen te stellen over de toestand waarin zich kerk en pastorie te Ruinen bevonden. Deze kwam tot de conclusie in zijn rapportage van 10 november 1808 dat de kerk weliswaar een stevig gebouw was “in zijn muren en zijn kapwerk“ maar in velerlei opzichten ernstig verwaarloosd. Hij noemt dan in een aanbeveling vele zaken die hersteld dienden te worden. De zolderbalken waren kuis verrot. Dit was ook het geval met de muurstijlen. tengevolge waarvan de zware houten kap de muren naar buiten drukte.
                           
Overigens, de hierboven vermelde muurstijlen rustten op consoles van zandsteen, die waren voorzien van zogenaamde maskers. Deze zijn zonder meer afgekapt. (Eén van deze maskers bevindt zich in de huidige consistorie.) Het houten beschot, dat zich onder de leien bevindt was totaal vergaan, de gewelven in het koor waren bij de aanzet afgescheurd, er ligt water op de grafzerken in het koor, waar ook de ramen ontbraken en aan het interieur kon zelfs een ernstig visueel gehandicapte neushoorn nog geen schade aanrichten . En hoe zat het nu met de St.Catharinakapel ? In 1795 werden er vernielingen aangericht en in de aanloop naar de verbouwingen van 1836 wordt er in het geheel niet meer over de kapel gesproken. We kunnen dus gevoeglijk aannemen dat tussen beide tijdstippen de Catharinakapel is afgebroken. Wanneer dit precies heeft plaatsgevonden staat echter nergens beschreven.
                             
Er waren allerlei voorstellen m.b.t. herstelwerkzaamheden. Uitgezonderd één travee zou het koor gesloopt moeten worden, er moest een nieuwe oostelijke muur komen, de zuiddeur moest dicht, de deur aan de noordkant moest weer open, de vloer moest opgehoogd worden en alle oude plavuizen moesten uit zicht onder de kerkbanken komen, terwijl in het gangpad nieuwe plavuizen dienden te worden gelegd. Ook was er sprake van dat er  nieuw meubilair moest komen.  De werkzaamheden duurden van mei tot november 1836. Op wiens gezag is niet bekend maar er werd nogal fors van het verbouwingsplan afgeweken. Zo bleef er van het koor dus helemaal niets meer over. Uit slechts één bron is overigens gebleken, dat bij het afbreken van het priesterkoor een aantal fresco’s zijn aangetroffen, allen onder de kalk gesmeerd doch men heeft destijds de waarde daarvan kennelijk niet ingezien dan wel niet in willen zien.
                              

Ramen werden dichtgemaakt. De noorddeur werd dus helemaal niet geopend. Er werd een zolder aangebracht etc. Bijna 18000 nieuwe leistenen moesten op dak worden gelegd, terwijl er ook nieuwe banken werden gemaakt. Enne… de kosten ? Die bedroegen het lieve sommetje van  f 5389,70. De aannemer, genaamd Boverhuis, afkomstig uit Smilde had er samen met zijn opzichter, meester timmerman - metselaar Jacobus Dekker een tragisch geheel van gemaakt. Gezien vanuit historisch oogpunt had zich een regelrechte ramp voltrokken. De historische waarde van het gebouw was heel ernstig aangetast. Onder de zolderbalken werden o.m. korbeels (ook wel karbeels genoemd ) en gebintestijlen gehangen. Er werd in 1928  getracht de kerk weer wat op orde te brengen maar al met al zou het tot de verbouwing van 1972 - 1975 duren, voordat veel, van wat in 1836 verknald was, weer zoveel mogelijk in oude staat teruggebracht zou worden.
                             
Oorspronkelijke ramen werden teruggeplaatst,aan noord- en zuidzijde dichtgemetselde toegangen  werden weer geopend, de kap werd weer in ere hersteld. Het schuine dak aan de oostzijde van de kerk maakte plaats voor een strakke muur, met daarin aangegeven de vorm van het vroegere koor met de aanzetten van de koormuren. De scheiding tussen genoemd koor en de kerk zelf, werd triomfboog genoemd. Gelet op de uitsparingen in deze boog (ook wel koorboog genoemd) heeft zich aldaar ook een triomfbalk bevonden. Voor zover bekend was het te doen gebruikelijk aldaar een groot beeld van de gekruisigde Christus te plaatsen, vaak geflankeerd door Maria en Johannes.  Een dergelijk kruis werd triomfkruis genoemd
                             
Het werd bijvoorbeeld tijdens een plechtige ommegang (processie) meegevoerd. Een dergelijke processie vond in Ruinen plaats op Santgangen, 10 oktober, de dag van de bedevaart (gang) naar de aan St.Victor gewijde kerk in Santen (Xanten= Ad Sanctos=naar de Heiligen). St.Victor, een Romeins legerofficier, die samen met het voornamelijk uit Christenen bestaande  “Thebaanse legioen”, weigerde om de goden en de keizer te vereren, werd, samen met 360 van zijn strijders, gemarteld en gedood in het amfitheater bij de plaats Birten, in de omgeving van Xanten.
Maar nu eerst  een belangrijk gebeuren in de geschiedenis van de kerk. Eind van de 16e eeuw, om precies te zijn 10 mei 1598 startte in deze contreien de reformatie, een proces van hervorming.
                              

Willem Lodewijk van Nassau, stadhouder van Friesland, Stad en Ommelanden en van Drenthe, liet op 10 mei 1598, op last van de Staten - Generaal, via "het plakkaat van reformatie" aan alle priesters, pastoors, schoolmeesters en andere geestelijken in Drenthe, weten, dat zij binnen een termijn van 3 weken,hun arbeid dienden te beëindigen en plaats dienden te maken voor hen die de hervorming goed gezind waren. (aen die kerkvoegden ende oldsten van den kerspel) Hen werd de mogelijkheid geboden zich tot deze nieuwe leer te bekeren teneinde na het afleggen van een examen alsnog opnieuw beroepen te kunnen worden. ("zij die geneigt mochten zijn zich tot die reine bekentenis en de leer des Evangelie toe begeven").
Gesteund door, dan wel onder druk van de Heer van Ruinen, welke laatste een overtuigd katholiek was, besloot de kerspil-priester van Ruinen, Stephen/Steven Sasse /de Sas geen steun te geven aan de reformatie.
Reformatie  -  Hervorming
                              
Sasse/de Sas, een Benedictijner monnik en conventuaal van de Abdij te Dikningen trad niet af en na diverse pogingen van de toenmalige overheid om hem over te halen dit wel te doen, besloot men hem uiteindelijk met behulp van de "gewapende magt" uit de pastorie te verwijderen en geboeid af te voeren. Nog in 1599 werd hij vervangen door Alef/Adolph van Besten (Overigens vermeld als den Besten op het naambord van predikanten, hetwelk zich bevindt in de Mariakerk te Ruinen). Juist aan deze den/van Besten, richtte Steven de Sas op 7 november 1599 zijn protest tegen de gevolgde gang van zaken. Het bijzonder vriendelijke antwoord van den/van Besten luidde:

" sall tot antwoort ontfangen, ick meen de paep van Ruynen, ofte die geschoren monnick van Diklingen, dat men hem hoort te doen wije de Baälspapen gedaen syne. De reste voor antwoort is , Nihil opt Request."
                              
In 1599, waarin de predikant den Besten of van Besten, een hervormde leraar uit Groningen, voorlopig het ambt waarnam op uitdrukkelijk “verzoek” van Wilhelm Ludwig van Nassau, gedateerd 30 november 1599.
Ja, je kon er natuurlijk op wachten dat de Heer van Ruinen, nog steeds een fervent aanhanger van het katholieke geloof, claimde dat hij degene was die het collatierecht had en dat hij wel zou bepalen wie de predikant zou worden in “zijn” Ruinen.
Antwoord hierop van de stadhouder van Drenthe enz. Wilhelm Ludwig graaf te Nassau aan de heer van Ruinen Hendrick van Munster, betogende dat het collatierecht in de heerlijkheid aan Drenthe toekomt als opvolgster van het klooster te Dikningen; dat dit in genen dele praejudicieert op het ressort der heerlijkheid; en dat hij daarom verzoekt de door hem te Ruinen beroepen Adolfus Besten "sonder vertreck in den kerckendienst aldaer" te stellen .
                             

Den Besten zou in 1600 reeds zijn vertrokken naar een nieuwe standplaats, te weten de Hervormde gemeente Wapserveen, waar overigens de hervorming ook niet zo voorspoedig liep. Ook daar zou den Besten maar kort zijn geweest, gelet op het feit dat daar in 1601 reeds een andere, door Drost en Gedeputeerden aangestelde predikant, genaamd Foppius Willarie  door een boer uit Wapserveen werd doodgestoken omdat hij zich te streng en te ijverig gedroeg bij het innen van pacht.
Inmiddels had Hendrik van Munster, de Heer van Ruinen, zelf al weer een volgende predikant beroepen: Hendrik Bokelman.
Ook dit was weer tegen het zere been van de stadhouder, gelet op onderstaande missive:

                              
Dat Bokelmannus, die Adolfus Besten bedrieglijk is opgevolgd  als  predikant te Ruinen ongeschikt is en moet vertrekken en hij een ander zal aanwijzen, 19 September 1600 In de eerste plaats was er dus al een probleem met betrekking tot het collatierecht, terwijl Bokelman ook nog eens als ongeschikt werd aangemerkt. Dit laatste heeft te maken met de drankzucht van de predikant. In Sauwert en Leens was hij om die reden ontslagen en nu toch aangesteld in Ruinen door van Munster.
Het probleem leek zich zelf op te lossen toen Bokelman in september 1603 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
                              
Uiteindelijk kwam alles na een vrij lange periode, op z’n pootjes terecht en kreeg de hervorming steeds meer vaste grond onder de voeten. Ook hier, in Ruinen, ondanks het feit dat de Drentse bevolking in de eerste jaren van de 17e eeuw bepaald niet gewillig op de veranderingen reageerde.
Aangezien dit artikel over kerk en klooster in Ruinen gaat, wordt hier niet verder ingegaan op de periode dat het klooster zich in Dickningen bevond en niet over de rol die de Heren van Ruinen ( m.n. ook Jan en Zwedera) hebben gespeeld, maar vervolgen met de predikanten, die na de reformatie in 1598, kerkelijk Ruinen ( met Ansen en Echten) hebben bediend.
Predikanten vanaf de reformatie tot heden
Stephen of Steven Sas(se),
Kerspel-priester in Ruinen tot 1598.
Hij was monnik /conventuaal in  het klooster Dikninge en tevens kerspel-priester in de kerk te Ruinen. Hij weigerde in 1598 ( reformatie) “zijn kerk en pastorie” te verlaten en werd met geweld verwijderd.
Henricus Bokelman,
Predikant van 1601 - 1603
“dat Bokelmannus, die Adolfus Besten bedrieglijk is opgevolgd  als  predikant te Ruinen” ongeschikt is en moet vertrekken en hij een ander zal aanwijzen, 19 September 1600”, zo schreef de stadhouder aan de Heer van Ruinen. Behoudens het probleem van het collatierecht werd Bokelman(us) ook nog eens ongeschikt geacht vanwege zijn drankprobleem.  Hij stierf in 1603.
Adolfus den Besten,
Predikant van  1599 - 1601
Hij werd aangesteld op uitdrukkelijk “verzoek” van Wilhelm Ludwig van Nassau per 30-11-1599, de periode waarin nog werd gestreden om het collatierecht. Den Besten zou in 1600 reeds zijn vertrokken naar een nieuwe standplaats, te weten de Hervormde gemeente Wapserveen, waar hij het ook niet lang heeft uitgehouden.
Patroclus Romelingh,
Predikant van 1603 - 1621
ook genoemd Rommelingius, was namens Drenthe afgevaardigde naar de Nationale Synode te Dordrecht en was o.m. aanwezig op de 2e zitting van 14 november 1618  e.a. Hij was afkomstig van Dalfsen, waar hij in 1599 was beroepen en vertrok in 1621 naar Farmsum, waar hij in april 1647 overleed. Hij was in 1610 te Ruinen getrouwd met Alina Ovingh , geb. 1584 overl. Farmsum 7-7-1632 uit welk huwelijk in 1627 zoon Theodoricus werd geboren.
Gerhardus van Essen,
Predikant van 1621 - 1622
geboren in Oldersumergast, werd (clandestien) beroepen door de Heer van Ruinen en bevestigd door B.Pauli uit Ruinerwold. Hij weigerde zijn diensten te beeindigen en werd door de gewapende macht aangehouden en vervolgens door de bevolking van Ruinen bevrijd, door hem uit handen van de executeur van de wagen te trekken. In opdracht van de Staten-Generaal werd hem aangezegd zijn diensten te beeindigen in Drenthe maar hij ging gewoon weer verder met preken. Hij werd hij verbannen en diende binnen 5 dagen uit Drenthe te vertrekken Uiteindelijk werd hij beroepen in Steenwijkerwold, waar hij tot 1647 bleef.
Johannes Rusius,
Predikant van 1623 - 1655
De Heer van Ruinen had in 1623 duidelijk een  probleem met de benoeming van deze uit Assen afkomstige  en door de Drost en Gedeputeerden te Ruinen beroepen predikant.Het was zelfs zo dat bevestiging van ds.Rusius tot driemaal toe niet kon plaatsvinden omdat de heer van Ruinen het verboden had om de kerk te openen. Uiteindelijk leidde overleg tussen de Landschap en de heer van Ruinen ertoe dat het per 11 januari 1623 aan Rusius werd toegestaan om te prediken in Ruinen. Johannes Rusius was in 1591 geboren te Felthausen ( Bentheim) en overleden in 1655 te Ruinen.
Henricus Kamerlingh/Camerlingh
Predikant van  1655 - 1666
Was in 1653 te Almelo begonnen als predikant en per mei 1655 in Ruinen beroepen. Hij overleed in de nacht van 4 op 5 november 1666.

Johannes Maurik,
predikant van 1668 - 1679
Een geboren Drent die tijdens de synode van december 1668 werd aangenomen. In 1679 vertrok hij naar Blokzijl waar hij op 60-jarige leeftijd in het jaar 1700 overleed.
Johannes Kaskée,
predikant van 1679 - 1682
Op 4 april 1679 geapprobeerd in Ruinen. Per 9 april 1682 naar de St.Maartenskerk in Zaltbommel als derde predikant, in 1683 tweede predikant, in 1689 werd hij aldaar eerste predikant. Hij vertrok naar Breda  op 8 sept. 1693 . Per november 1730 ging hij met emeritaat. Hij overleed op 12 mei 1739.
Johannes Kamerlingh/Camerlingh
Predikant van 1682 - 1707
Ook geschreven als Camerlingh, is in 1682 begonnen met het inschrijven van dopen, huwelijken, lidmaten en notulen van de kerkenraad.Beroepen vanuit Westerbork op 2 mei 1682. Hij overleed op 25 juli 1707.

Jacobus Eilbracht,
Predikant van 1709 - 1715
Werd op 9 november 1708 beroepen van Ressen in de Betuwe en ging eind 1715 naar Hattem. Hij stierf op 19 maart 1719.(ongelukkig omgekomen)
Emmerik Hofstede,
Predikant van 1716 - 1722
Werd hier beroepen op 18 december 1716 en geapprobeerd op 5 maart 1716, vertrok op 22 november 1722 van hier naar Franeker, waar hij per 10 augustus 1766 met emeritaat ging. Hij overleed, op 11 juni 1773 ten huize van zijn schoonzoon , de schulte J.Bottichius in Annen.
Albertus Elses Haselhoff,
Predikant van 1723 - 1763
Geboren ca.1695 in Wedde. Was behoudens predikant ook plaatsver-vangend borggraaf.Ds.Haselhoff is op 28 januari 1763 overleden. (Weetje:
De Soldaat van Oranje, Siebren Erik Hazelhoff Roelfzema is evenals de zangeres Liesbeth List familie van deze predikant.
Jan Albert Erkenswijk,
Predikant van 1764 - 1788
Afkomstig uit Assen, waar hij “stond” vanaf 18 april 1762. Op 23 maart 1763 stond de Landdag toe dat hij fl.77,00 uit de goederen van Assen ontving, tegen een gelijke som, die door de gemeente in turf werd betaald. Naar Ruinen per 6 mei 1764.
Op 20 augustus 1788 heeft ds. Erkenswijk (1738-1820)  het beroep door Drost en Gedeputeerden naar Kloosterveen aanvaard. 
Hendrik Kuyper,
Predikant van 1788 - 1796
Kwam naar Ruinen op 23 november 1788 vanuit Wapserveen. In 1796 werd hij ontslagen omdat hij weigerde het declaratoir der volkspresentanten te ondertekenen. Hij vertrok naar Noordwolde en Beuil, waar hij op 1 juli 1839 met emeritaat ging.

Lucas Fockens,

Predikant van 1796 - 1798
Was de 3e predikant in Windeweer en Lula, Bij zijn afscheid op 18 september 1796, alvorens naar Ruinen te vertrekken:
Daarom betuig ik op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van de allem. want ik heb niet agter gehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad God."
Jan Campingh,
Predikant van 1798 - 1816
Kwam te Ruinen per 5 oktober 1798 en overleed op 3 november 1816. Hij werd slechts 43 jaar oud.

Jan Mejeur Broekhoff,
Predikant van 1817 - 1822
Op 26 oktober 1817 kwam hij vanuit Zweelo en vertrok op 17 november 1822 naar Heino en vandaar in 1828 naar Medemblik.

Johannes Pieter Philippus Clinge,
Predikant van 1823 - 1825
Geboren te Groede in Zeeland, predikte te Oostburg en kwam naar Ruinen per 4 mei 1823, was gehuwd met Pompeja Johanna Diederika van der Tuuk.  Hij vertrok naar Vledder op 23 mei 1825.
Borcherd of Borchard  Ansingh,
Predikant van 1825 - 1862
Kwam op 17 juli 1825 als predikant naar Ruinen, was afkomstig van Wagenborgen en overleed in juni 1862 te Ruinen.Dochter Titia Margrieta, trad in het huwelijk met de predikant
Johannes Jacobus Damste. Hij werd begraven op het kerkhof, destijds gelegen aan de zuidzijde van de kerk:.  Ter nagedachtenis van onzen geachten predikant
B o r c h a r d  A n s i n g h
geb:  den 6 January 1793 te Groningen overl: te Ruinen den 26 Juny  1862is dit bewijs van erkentelijkheid door eenige ingezetenen geschonken
Johannes Jacobus Damsté,
Predikant van 1863 - 1874
Deze Johannes Jacobus Damsté, naar Ruinen gekomen vanuit zijn vroegere standplaats Koekange, was duidelijk een zeer sociaal persoon .  Hij werd de stuwende kracht achter de totstand-koming van een leesgezelschap in Ruinen, met name ook bedoeld om de mensen in Ruinen een nuttige bezigheid te verschaffen gedurende de winter-avonden. Boeken en tijdschriften liet men rouleren onder de leden. Het was zo’n succes, dat men het niet bij lezen alleen wilde laten maar het houden van gezellige avonden leek ook wel aardig. Eind december 1864 startte de vereniging “Tot Nut en Genoegen”, waar Damsté voorzitter van werd. Vanuit deze vereniging werd per mei 1865 de Spaarbank opgericht, waarvan Damsté president werd.
Anneus Guido Harger,
Predikant van 1880 - 1881
Na zijn studie theologie in Groningen, werd hij predikant in Marken van 1863-1870, in Giethoorn van 1870- 1877 en ging daarna naar Wezep. Op 19 december 1880 werd Ds. Harger vanuit Wezep beroepen, waar hij vrijstelling van belastingen had genoten en dat wilde hij derhalve in Ruinen ook wel.  Maar dat viel tegen. De toen- malige kerkenraad wilde hierin niet meegaan. Wel wilde men, ter compensatie de, zeg maar toenmalige pastorie, gratis als verblijf aanbieden. Hager  voornoemd  bleef in Ruinen tot 18 september 1881 en vertrok naar Wapserveen. Was gehuwd met A.C.H.Marsman, die hem 8 kinderen schonk. Hij schreef: Het Christendom van Jezus (1883) Harger behoorde tot de moderne richting.
Petrus Bruining Jsz,
Predikant van 1881 - 1883
Op 11 december 1881 kwam hij naar Ruinen en was afkomstig uit Aduard. Per 14/21 oktober 1883 vertrok hij naar Terwispel. Hij was gehuwd met Tettje Bolt. In Ruinen werd dochter Trientje geboren op 4 september 1882.


Jacob van Waning Bolt,
Predikant van 1884 - 1886
Ds. Van Waning Bolt, geboren te Amsterdam in december 1817 en overleden in Groningen op 21 augustus 1902, kwam op 24 augustus 1884 naar Ruinen en was afkomstig uit Someren. Eerdere gemeentes waren o.a. Weerselo (1875) en vandaar naar Kromme-nie(1877) waar hun zoon Hendrik Herman werd geboren in augustus 1879. Van Krommenie in 1880 naar Nes. In leven gehuwd geweest met Johanna ten Brink (overleden 1876 te Weerselo) en met Emine Wicher(huwelijk 23-11-1877 te Krommenie ). Ds.Jacob van Waning Bolt schreef het boekje “ Predikantennood “en “Patjes”-dominés, uitgegeven te Rotterdam 1887. Per 18 Mei 1886 werd hij beroepen te Emst, waar hij bleef tot 1891.
Willem Pieter Marinus Moulijn,
Predikant van 1887 - 1889
Geboren 24 augustus 1836 te Rotterdam en overleden 19 april 1897 te Oirschot.Op 14 augustus 1867 te Rotterdam gehuwd met Wilhelmina Hendrika Dijkman, geb.1839 te Rotterdam en ovl.1906 te Ginneken. Ds. Moulijn werd in 1866 kandidaat in Gelderland, daarna predikant te Schoonoord. In 1869 vertrok hij naar Nederlands Oost Indië, het huidige Indonesië en werd in 1870 predikant te Palembang en daarna 1873 te Rembang. In 1886 was hij weer in Nederland en werd op 3 november van dat jaar bevestigd te Grollo. Ruinen volgde in 1887. Op 3 juli 1892 werd ds. Moulijn bevestigd als predikant voor Oirschot c.a., in de boeken staat "komend van Beets".
In het notulenboek van de Hervormde Gemeente Oirschot staat: "Op de eerste dag van het Paasfeest (19 april 1897) werd de gemeente door een zwaren ramp getroffen. Haar geachte leeraar de Heer W.P.M. Moulijn, die nog des voormiddags het H. Avondmaal had bediend in de vacante gemeente Heeze en zich voorbereid had in den volgende morgenstond voor zijn eigen gemeente op te treden, vond in de avonduren zijnen dood in het water van een vijver. Op donderdag 22 april werd zijn stoffelijk overschot te grave gebracht". Hij ligt begraven op de protestantse begraafplaats te Oirschot. De steen van zijn graf is vermoedelijk door oorlogshandelingen verloren gegaan.
Reinhard Antonie Damsté,
Predikant van 2 februari 1890 - 1 maart 1891.
Was tevoren predikant in Wedde en ging in 1891 naar Oosterwolde, van waar hij in 1895 met emeritaat ging Hij werd geboren te Langezwaag, gemeente Opsterland, op 21 september 1827 als zoon van Jan Sinninghe Damsté en Anntje Pieters Piersma en overleden op 70-jarige leeftijd in 1898. In leven gehuwd met Gerarda Buijsing Damsté. Zij kregen samen 10 kinderen.(Jan Reinier Gerard (1858), Roelina Antonia  Charlotte(1859), Anna Gerarda (1860), Antonia Petronella (1862), Johanna Margaretha  (1864), Lotje (1866), Pieter Jan (1867), Petrus Julius Reinhard (1869), Hendrik Titus (1871) en Johanna Jacoba Afina (1873). Tijdens een reünie in Groningen van predikanten met de naam Damsté, werd elk van hen gekoppeld aan een latijnse spreuk. Onderstaande spreuk behoorde bij Reinhard Antonie en luidde:Tempestiva quies, major post otia virtus. - Rust op tijd, na een rustperiode ben je meer mans
.
Maximil(i)aan Lotz,
Predikant van 1891 - 1894
Ds.Lotz kwam op 5 juli 1891 vanuit Ransdorp, waar hij vanaf 21 november 1886 predikant was geweest, naar Ruinen. Op 4 november 1894 vertrok hij naar Visvliet. (op de grens van Groningen en Friesland )
Nicolaas van Klaveren,
Predikant van 1895 - 1896
Ds. van Klaveren, geboren op 27-12-1840 in Amsterdam als zoon van Johannes van Klaveren en Agatha Poling, kwam per 3 februari 1895 naar Ruinen vanuit Wier (Fr). Een jaar na zijn beroeping, overleed hij op 11-07-1896 te Ruinen.( akte 37 dd 11-07-1896 ).
Jan Wijbrand Visscher
Predikant van 1898 - 1900
Ds.Visscher werd geboren te Roodeschool op 22 april 1870 en huwde op 5 mei 1898 te Uithuizermeeden met Wibbina Fenna Wiersema. Hij kwam naar Ruinen per 16 januari 1898 en vertrok per 21 oktober 1900 naar Terwispel. Ds. J.W.Visser overleed op 21 augustus 1960 te Groningen en ligt, tesamen met zijn echtgenote begraven op de begraafplaats Oosteinde.
Eelco ter Spill,
Predikant van 1901 - 1904
Geboren te Westkapelle ( Zeeland) op 21 november 1875  en overleden op 27 januari 1907 huwde op 3 mei 1904 met Anna Maria Wesselink. Op 1 september 1901 kwam hij naar Ruinen en vertrok per 17 april 1904 naar Veenwouden. Op 2 juni 1905 werd te Dantumadeel een levenloos kind geboren, een zoon. Eelco Cornelis ter Spill ligt begraven Veenwouden Kerk (Friesland )Niet direkt verband houdend met bovenstaande predikant maar toch wetenswaardig:In de periode 1817 - 1956 werden te Dantumadeel ruim 1000 levenloze kinderen geboren. Op jaarbasis was 1874 met 30 gevallen het hoogst met op de 2e plaats het jaar 1905, waarin het levenloze kind van v.d.Spill werd geboren: 29 gevallen.
Klaas Sonies,
Predikant van 1904 - 1915
Geboren te Groningen op 23 november 1880 en overleden op 14 februari 1941 te Wildervank. Ds. Sonies komt per 7 augustus 1904 naar Ruinen en vertrekt op 25 juli 1915 naar Noordhorn. Op 8 mei 1905 huwde hij met Alberdina Margaretha Weersma. Klaas Sonies ligt begraven op de begraafplaats Stadskanaal Noord, tesamen met zijn echtgenote A.M.Weersma.Hij was een zeer goed organisator met een grote liefde voor zending en maatschappelijk werk, had vele bestuursfunkties en was 22 jaar redacteur van de Hervormde Kerkbode voor Groningen en de Ommelanden. Klaas Sonies was de schrijver van het boekje “Is het standpunt der ëtischen” onhoudbaar?, De Tijdsbepaling van het eerste Psalmboek, 1911 (proefschrift)
Reinier ten Kate,
Predikant van 1915 - 1920
Ds.ten Kate, geboren te Heerde op 9 augustus 1886 als zoon van Hendrik ten Kate, predikant te Wapenveld is vóór 1915 beroepen in Idsegahuizen en na 1920 te Kolderveen, Koudekerke en per  17-12-1933 te Dordrecht (Nederduitsch Hervormde Gemeente) Gehuwd op 12-01-1911 in Boxtel met de dominees-dochter Maria Johanna Jacoba van OOSTERZEE. Hij overleed te Wapenveld op 11 juli 1967. Hij ligt begraven op begraafplaats Bilthoven (Brandenburg)


Leonard Nicolaas de Jong, (dr.)
Predikant van 1921 - 1937
Hij werd geboren te Utrecht op 30 maart 1867  en overleed te Ruinen op 13 november 1937, waar hij ook werd begraven.
Hij behoorde tot de belangrijkste “componisten“ in Nederland op het gebied van schaakproblemen, waarvan hij er ca. 2000 heeft gecomponeerd, uitsluitend voor eigen plezier en genoegen. Deze werden derhalve niet in gedrukte vorm uitgegeven. In 1902 verscheen van zijn hand: De Grondslag onzer wereld- en levensbeschouwing, een proefschrift en in 1904: De weg tot geluk. In 1917: Schets eener Vrijzinnig-Christelijke zedeleer , een artikel in het Theologisch tijdschrift.
Paulus Albertus Stapert,
Predikant van 1938 - 1946
Hij werd geboren op 7 april 1910 te en afkomstig uit Bergh ( Gelderland ). Hij was gehuwd met Berendje Hovius. In 1935 werd hij, als opvolger van Pieter Izak Hage ( emeritaat ), predikant in ’s Heerenberg, waarna hij per 19 juni 1938 naar Ruinen kwam Per 13 januari 1946 vertrok hij naar Epe, waar hij 2e predikant werd. Op 15 januari 1950 vertrok ds. Stapert naar Moordrecht en vandaar op 9 oktober 1955 naar Zutphen.
Pieter Johannes de Ridder,
Predikant van 1948 - 1953
Ds.de Ridder is per 14 november 1948 naar Ruinen gekomen vanuit Makkinga. Hij vertrok op 10 januari 1954 naar Kollum, op 16 maart 1958 naar De Wilp. In 1965 vertrekt  ds. De Ridder vanuit De Wilp naar Stiens en vandaar in 1970 naar Lippenhuizen.
Klaas Mulder,
Predikant van 1954 - 1964
Ds.Mulder werd geboren te Anloo op 8 december 1919 en overleed te Brummen op 13 november 2002, waarna hij werd gecremeerd in Dieren. Alvorens hij naar Ruinen kwam, stond hij als predikant in Oude-Pekela. Na Ruinen vertrok hij naar Zweelo.
Ds.Mulder is ook betrokken geweest bij de oprichting van het kerkkoor in Echten ( vanaf september 1959 ) en bij de totstandkoming van “De Mannen-kring “ te Ruinen, welke vandaag de dag nog steeds bestaat als “algemene gespreksgroep
Mattheüs Willem Samuel Cramer,
Predikant van 1965 - 1969
Vanaf 1969 stond hij als predikant in Schagen. Tussen 1979 - 1981 als geestelijk verzorger werkzaam in Leeuwarden, waarna hij in 1985 Luthers predikant werd in Beverwijk en Alkmaar. Emeritaat in 1994. Hij overleed op 4 maart 2007.
In leven was hij o.m. algemeen secretaris van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale.
Jan de Bruin,
Predikant van 1969 - 1978
Op zondag 18 mei 1969 deed ds. de Bruin, afkom-stig uit Kootstertille, waar hij predikant was geweest sinds 1964 en toen afkomstig was van Boksum. Hij deed intrede in de gemeente Ruinen met een tekst uit 1 Petrus 4: 11. Laat het zijn als uit kracht, door God verleend. Hij werd bevestigd door ds. Y.Strikwerda uit Emmen. Ds. De Bruin maakte als secretaris, deel uit van de restauratiecommissie, die in de jaren ’70 van de vorige eeuw in het leven werd geroepen, teneinde de Mariakerk te restaureren.
Tjeerd van der Bij,
Predikant van 1980 - 1987
Ds. van der Bij was afkomstig uit Gasselte, waar hij “parttime “ als predikant werkzaam was. Hij combineerde dit met een leraarschap geestelijke stromingen in Emmen. Vanaf september 1979 stond hij, na het beëindigen van vermeld leraarschap, ook als parttime predikant in Ruinen. Per 6 januari 1980 werd hij als fulltime predikant te Ruinen bevestigd. Per 4 januari 1987 vervroegde uittreding, waarna hij vertrok naar Havelte, waar hij met regelmaat nog in diensten voor ging en gedurende 9 jaar tevens als ouderling deel uit maakte van de kerkenraad.
Anton Forrer,
Predikant van 1987 - 2002
Ruinen was de eerste gemeente waar ds.Forrer beroepen werd. Voor zijn komst naar Ruinen was ds.Forrer vele jaren werkzaam als kerkelijk werker (o.a. te Amsterdam) en jeugdwerk-adviseur in Drenthe. Bovenstaande foto werd gemaakt op vrijdag 30 augustus 2002 in de Mariakerk aan de Brink te Ruinen . Ds.Anton Forrer is voorzitter geweest van de Raad van Kerken in Emmen. Hij overleed op13 april 2012 in zijn woonplaats Emmen.
Janna Wesselink,
Predikant van juli 2004 tot mei 2010, emeritaat per laatstvermelde datum.
Zij was afkomstig uit Molkwerum.
Georg Naber
Predikant vanaf 20 juni 2010 tot heden.
Ds.Naber is afkomstig van de Gereformeerde Kerk (PKN) te Sliedrecht waar hij vanaf 2001 heeft gediend. Voor zijn indiensttreding in Sliedrecht was hij vanaf 1995 zes jaar werkzaam als predikant te Neede .Zijn interesses liggen vooral op het gebied van het pastoraat, Vorming en Toerusting  en het voorbereiden in groepsverband van bijzondere Kerkdiensten. Bij zijn intrede in de gemeente Ruinen (PKN) zegt hij in een interview: “Ik hoop een predikant te kunnen zijn voor alle inwoners van Ruinen en omgeving en niet alleen voor actieve leden van de kerk”.

                              

De kerk in Ruinen behoorde volgens zeggen niet tot de 6 oudste parochies in Drenthe, (parochiekerken) echter J.Hogeman, auteur van “De Kerk te Runen”,  de eerste kerk in het Zuidwesten van Drenthe, het Noorden van Overijssel en de Oostzijde der Stellingwerven, gepubliceerd in 1887, denkt daar toch anders over.
Jo(h)annes Hogeman,(1828 - 1893) op 11 augustus 1861 tot priester gewijd, lid van de Vereeniging voor overijsselsch regt en geschiedenis, het Friesch Genootschap, publicist voor de Nieuwe Drentsche Volksalmanak tussen 1888 en 1894, de Friesche Volksalmanak tussen 1890 en 1893 en voor de Algemene Nederlandse Familiealmanak 1887, schrijft dat de kerk in Ruinen meer dan drie eeuwen vóór 1141 reeds had bestaan, en dat de clergé van de bisschop daar “coenobium Episcopi” had gewoond. Onder clergé of clerus kan worden verstaan de geestelijkheid / priesterklasse, bestaande uit personen die in de katholieke kerk een wijding hebben gehad en bij een bisdom behoren. Een samenwoning dus van tot een bisdom behorende groep geestelijken.En ik moet zeggen dat ik wel wat voel voor bovenstaande bewering van Hogeman. Ik denk dan bijvoorbeeld even aan Oud Lutten, zeg maar nabij de grens van Overijssel en Drenthe. Vroege
bewoners (mogelijk zendelingen) slaagden erin om, dwars door de moerassen een dam aan te leggen tussen Lutten en Collendoorn.
                             


Deze dam werd van lieverlee verbeterd en kreeg de naam Lutterkerkdijk. Ondanks het gegeven dat in de nabije omgeving vanaf 750 in Heemse al een kapelletje was gesticht en dat kort daarop, omstreeks 770, dit ook het geval was in Nijenstede, het latere Hardenberg, gingen de bewoners tot omstreeks het jaar 1240 naar de kerk in Ruinen.
Er zal dan in die beginperiode sprake zijn geweest van een houten gebouw, al dan niet met riet gedekt dat in een latere fase verder werd opgebouwd en uitgebreid met gebruikmaking  van onder andere tufsteen.
En is dat houten kerkje in Ruinen, zoals destijds wel vaker gebeurde, in de plaats gekomen van een heidense tempel daar ter plaatse? Of wellicht op de plek gebouwd die voor de heidenen voordien als heilig
gold? Een plek waar Wodan, Frija, Donar, om er maar eens een paar te noemen, werden aanbeden om de overwinning in de strijd? Is er een gewijde bron geweest of wellicht een heidense offerplaats? Al met al weten we dus nog steeds niet precies in welk jaar het klooster in Ruinen gekomen is. Wel weten we wanneer het klooster er al geweest moet zijn. In 1141. Dit moge blijken uit het oorkondeboek van Groningen en Drente, naar het Cartolarium van Dikninge, waar in een akte van vóór 13 maart 1141 sprake is van het klooster te Ruinen. Bisschop van Utrecht Har(t)bertus schenkt in bedoelde akte op verzoek van Otto, ministerialis van de St.Maartenskerk (beati Martini) de kerk van Steenwijk, die Otto reeds als beneficium had bezeten, vrij van rechten die de bisschop hierop kon laten gelden, zoals circatus, census en valken, een moerassige streek tussen Ruinen en Meppel en andere hem behorende goederen in en bij Ruinen, Meppel, Anreep, Pesse en Bunne( Buinen) aan het klooster te Ruinen.
                              


Otto, was volgens de tekst al eerder in het bezit van het leengoed St.Marie, kerk in Ruinen( prius in beneficium tenebat, ecclesie beate Marie Runa). Rond de periode 1130 - 1135 moet het klooster in Ruinen zijn gesticht. Het klooster St.Mari(e). Echter niemand kan zeggen wanneer dit precies heeft plaatsgevonden. Mogelijk is, dat de nieuwe bewoners van Sint Paulus te Utrecht kwamen, gezien het gegeven dat monniken van St.Paulus in de 11e eeuw reeds bezittingen in Drenthe en Overijssel hadden.
(Oorkondeboek StichtUtrecht I 189 ). dan wel monniken/kanunniken van de St. Maartenskerk in Utrecht , waar Otto ministerialis van was.
                              

Het gezag van de bisschop in Drenthe, maar ook in Overijssel in de 12e eeuw, was nogal eens omstreden. Voor wat betreft Overijssel waren het met name de Heren van Almelo en de Heren van Rechteren die hun machtsposities trachtten te verstevigen. Men probeerde dit met name te bewerkstelligen door onder meer het verlenen van stadsrechten, het verwerven van hoven, van waaruit het bestuur kon plaatsvinden en het aantrekken of benoemen van leenmannen, daarmee zichzelf bondgenoten verschaffend. Ook de Bisschop van Utrecht hanteerde deze methode, waarbij hij het Drentse geslacht van Ruinen betrok. Het kapittel van St.Paulus, waarover hiervoor reeds is gesproken, richtte zich meer op een ander Drents geslacht, namelijk de van Peijzes, die regelmatig met de Bisschop van Utrecht in de clinch lagen. Vandaar mijn voorkeur voor het kapittel van St.Maarten in Utrecht als het gaat over de bewoners van het nieuwe klooster in Ruinen. Ook Brugge wordt genoemd als herkomst van de eerste bewoners van het klooster in Ruinen. Ook daarvoor valt wel iets te zeggen. Maar hoe heeft het klooster er toendertijd uitgezien. Een (bepaalde mate van) zekerheid hieromtrent kan slechts gegeven worden na een uitgebreid bodemonderzoek, er vanuit gaande dat daarbij nog voldoende aanknopingspunten zouden worden aangetroffen.
                             


Kloosters vormden een wereld op zichzelf. Vaak ommuurd, waardoor de kloostergemeenschap afgescheiden werd van de buitenwereld en slechts toegankelijk was via de kloosterpoort. Binnen het tot het klooster behorende gebied bevonden zich allerlei voorzieningen, die het mogelijk maakten om zelfvoorzienend te kunnen zijn zoals bijvoorbeeld een bakkerij, een bibliotheek, moestuinen, boomgaarden, ziekenverblijven etc.
Bekend is dat kloosters vaak volgens een vast stramien werden gebouwd, met name  bij de Benedictijnen en Cisterciënzers. Dit gold specifiek voor het gedeelte van het klooster, dat claustrum werd genoemd, de kern van het kloostercomplex .De plek waar de overige gebouwen, stallen etcetera werden geplaatst, verschilde van klooster tot klooster. Dit claustrum werd vaak aangebouwd aan de zuidzijde van de kloosterkerk doch dit was niet per definitie het geval.

Een aantal zaken pleiten ervoor, dat dit in Ruinen ook niet het geval was en dat het claustrum aan de noordzijde van de kloosterkerk was gebouwd alhoewel slechts een uitgebreid archeologisch onderzoek ter plaatse deze stelling nader zou kunnen bevestigen.

I
In de eerste plaats bevond zich aan de zuidzijde van de kloosterkerk een kerkhof, zoals blijkt uit akte OKB-1, nr.99, register inkomsten proostdij vanSt.Pieter te Utrecht uit goederen in Drenthe.)……modios siliginis, quos diu detinuerat, qui recuperati fuerunt per dictum domini Wolkeri de Echten militis in cimeterio Rune.





II.In de tweede plaats werd door Jan van Ruinen en zijn vrouw Zwedera van Rechteren de Catharinakapel oftewel De Kapel des Heren  tegen de kerk aangebouwd. Deze kapel was bijv. ook niet gesitueerd in een zuidelijke trans, zoals ook uit oude prenten moge blijken.

III
.In de 3e plaats werd tijdens een latere verbouwing, op de plaats, waar de westelijke muur van de Catharinakapel aansloot op de zuidmuur van de kerk, de restanten van een zogenaamde hagioscoop bevonden, Hagio staat voor heilig, terwijl scoop voor kijken staat. Men kon dus via dit venster, een blik werpen op “het heilige”, naar alle waarschijnlijk op zich in de kerk bevindende altaren en op het koor. Dit venster, uiteraard lager geplaatst in de gevel dan de overige vensters, diende met name ook om bijvoorbeeld mensen met een overdraagbare ziekte, die het kerkgebouw niet binnen mochten de gelegenheid te stellen om naar binnen te kijken. Het aangetroffen restant van deze hagioscoop bestond overigens uit de dagkant (een geprofileerde binnenkant ) van een venster.
                             

IV.In de noordmuur van de kerk waren destijds geen ramen aanwezig (een blinde muur), hetgeen duidt op een mogelijke aanbouw aan die zijde van de kerk.

V.Tijdens onderzoek is komen vast te staan, dat in de fundering van het weggebroken koor zich restanten bevonden van een doorgang, gelet op de aanwezige sporen in de noordelijke penant. Een penant is een gemetseld, uitspringend deel van een muurvlak ter versteviging van een muur, een soort steunbeer .

Met name de punten
I, II en III maken het onwaarschijnlijk dat het claustrum zich aan de zuidzijde van de kloosterkerk heeft bevonden, terwijl de omstandigheden, vermeld onder IV en V exact aansluiten op de reconstructie van een soortgelijk klooster elders (Albergen).
Hierna treft u een plattegrond aan, volgens welke het klooster St.Marie er destijds naar alle waarschijnlijkheid uit heeft gezien:

1.Absis - halfronde of meerhoekige afsluiting van het koor.

2.Sedilia
- zetel of bank in het koor ten behoeve van de geestelijken tijdens een mis.

3.Wenteltrap
-die toegang gaf tot het oxaal/doksaal. (waarvan een restant werd aangetroffen)

4.Triomfboog met triomfbalk
- scheiding tussen schip en koor. Op de triomfbalk bevonden zich beelden van Maria, Jezus en de apostel Johannes.

5.Dichtgemetselde en later weer geopende doorgang
van schip naar trans.

6.Trap
die toegang gaf tot hoger gelegen verdieping.


7.Kapittelhuis of Oostpand
, waarin o.m. de sacristie, de kapittelzaal en (meestal)de cel van de prior gevestigd waren.

8
.Refterhuis of Noordpand - waar zich ondermeer bevonden heeft de eetzaal (refter) voor de kanunniken.

9
.De keuken, welke via luikjes in verbinding stond met zowel de refter in het Noordpand, als met de lekenrefter in het Westpand.

10
.Westpand, waarin zoals vermeld de lekenrefter en mogelijk ook nog andere vertrekken bijvoorbeeld ten behoeve van gasten.

11
.Transitus of trans -  een evenwijdig aan en langs de gehele kerk gesitueerde gang, mogelijk voorzien van een verdieping. Soms was deze aan de kerk vastgebouwd doch het kwam ook voor dat deze transitus los stond van het kerkgebouw en een eigen dakconstructie had. (bij onderzoek aan de noordzijde van de Mariakerk werden geen restanten van aanbouw aangetroffen).

12.
De pandhof - Binnenplaats / tuin van het klooster, omgeven door aan de zuidzijde de trans en aan de oost-, noord- en westzijde door een kruisgang, ook wel ambitus genoemd.
                              
                            

Maar het klooster vertrok vanaf (december) 1325 vanuit Ruinen naar Dikningen, ook geschreven als Dickeninge,Dickeninghen,Dyckenynge etcetera.
Reden voor deze verplaatsing zou gelegen zijn in het feit dat de toename van de bevolking in Ruinen zo groot was, dat de gewijde rust in het geding kwam. Zo kwam er o.a. nogal wat “vreemd krijgsvolk” via de doorgaande route, die langs Ruinen liep, welk volk zich in Ruinen vestigde dan wel zich gedurende een langere periode daar ophield. Maar ja, wat is druk?  Daarbij kwam dat “de Drenten” zich  al enige tijd aan het roeren waren, hetgeen in mijn optiek wel eens een andere, zo niet de belangrijkste reden geweest zou kunnen zijn om het klooster te verplaatsen. Ik leid dit o.m. af uit een drietal oorkondes, direkt voorafgaande aan de verplaatsing van het klooster van Ruinen naar Dikningen.
                             
- In een akte van september 1324 ( 282 in het Oorkondeboek van Groningen en Drente) :
Johan, bisschop van Utrecht, belooft eenige Drentsche edelen bij te staan tegen de Drenten

- En daarmee verband houdende de akte van 7 september 1324 ( 282 in het Oorkondeboek van Groningen en Drente):
Eenige Drentsche edelen beloven Jan, bisschop van Utrecht, bij te staan tegen de Drenten wegens het geweld hun door het land van Drente aangedaan.

- En waar het dan met name met betrekking tot beide genoemde aktes om gaat, valt af te leiden uit de akte  uit 1324/1325, (285 in het Oorkondeboek van Groningen en Drente):
Lijst van grieven van den bisschop van Utrecht tegen de Drenten.

- In de akte van 3 mei 1325 ( 287 in het Oorkondeboek van Groningen en Drente) handelt het om de verplaatsing van het klooster van Ruinen naar Dikningen:
Johannes, bisschop van Utrecht, keurt de verplaatsing van het klooster te Ruinen naar Dikninge goed
                             

Blijkens onderzoekingen moet het complex grofweg begrensd zijn geweest door de huidige Kloosterstraat, de Munnekenweg, de Hoekstraat, de Oosterstraat en de Brink. Op het kloosterterrein bevonden zich ook een woning voor de abt en, nadat het klooster begin 1200 een dubbelklooster is geworden, ook voor de priorin, evenals een drietal kloostererven (boerderijen) waar voedsel werd verbouwd en vee werd gehouden.
Na aanvankelijk “een abdij van Benedictijner Monniken “ te zijn geweest, gewijd aan de Heilige Moedermaagd, is er in het jaar 1211 sprake van de aanwezigheid van vrouwen in het convent  alhoewel de nonnen nog niet als zodanig naar buiten traden. Dit vond enkele jaren later plaats zoals uit een akte  uit 1215/16 moge blijken
(Oorkondeboek Groningen en Drente nr.57)
KLOOSTER ST.MARI(E) - MARIAKERK - REFORMATIE - PREDIKANTEN