HERINNERINGEN AAN DE FAMILIES VAN HOLLAND EN (ANNA)MEIBOOM


Familie van Holland

De Ruinense familie van Holland, in 1840 naar hier gekomen, waren eenvoudige kooplieden en konden zich financieel geen eigen huis permitteren . In 1872 werden de tijden voor Abraham van Holland iets beter toen hij fl.1000,- uit een nalatenschap ontving. Dit was voor die tijd een heel kapitaal.. Nu achtte Abraham de tijd rijp om onroerend goed te kopen. Voor de prijs van fl.50,- kocht hij op 4 januari 1873 twee stukjes tuingrond aan de Oosterstraat in Ruinen. Op deze grond liet hij een huisje bouwen. Abraham had echter meer geld nodig. In 1874 leende hij van Isaac Samuels Kolthoff een bedrag van fl.300,- tegen een rente van 5% per jaar. Als onderpand fungeerde het onroerend goed van Abraham. Deze schuld aan Kolthoff bleef staan tot 1920.

Ten behoeve van zijn vee huurt Abraham ook nog een perceel grond voor fl.4,- per jaar. Hij moest tenslotte toch zijn vee ergens laten grazen en als hij dit illegaal deed, zoals wel eens voor kwam, op het grasland van zijn buurman, kreeg Abraham weer eens een bekeuring. Nog meer geld had Abraham nodig en hij leende nogmaals een bedrag van fl.300,- tegen een rente van 5% per jaar. Hij deed dit bij I.L.Kan. Ook deze schuld bleef staan tot 1920. Op 6 augustus 1920 overleed de weduwe van Abraham, Rachel van Leer. Op 21 september van dat jaar regelde de drie zoons de scheiding van de nalatenschap, te weten het onroerend goed aan de Oosterstraat A347 en de schulden aan Kolthoff en Kan. Bernard en Mozes, de 2 broers, kochten de derde broer Jakob van Holland uit door hem een bedrag van fl.300,- in kontanten uit te keren.

 

Op 9 januari 1927 kocht Mozes zijn broer Bernard uit voor een bedrag van fl.750,- en werd derhalve alleen eigenaar van het huis met erf , tuin en bouw- en weilanden aan de Oosterstraat A347 in Ruinen. Na de moord op Mozes, Mietje en Rachel van Holland eind 1942, werd het bezit van de familie van Holland op 6 januari 1944 in opdracht van “Algemeen Nederlands Beheer van Onroerend Goed ( ANBO ) verkocht voor de prijs van fl.2675,-. Kort na de oorlog vond er een gedeeltelijk rechtsherstel plaats. Bij wijze van minnelijk rechtsherstel werd besloten dat het ten onrechte verkochte onroerend goed van van Holland weer naar de rechtmatige eigenaren, in dit geval de erfgenamen, terug moest. In 1960 is het bezit voor een bedrag van fl.8300,- verkocht. De helft van dit bedrag ging naar de toenmaals nog in leven zijnde erfgenamen van Mietje de Horst. (bron Stichting Historie van Ruinen )

 

Onweer boven Ruinen

Eén van de oudere inwoners van Ruinen, Roelof Luning, herinnert zich het navolgende.Het zal in de zomermaanden van 1942 zijn geweest, dat er een aantal paarden graasden aan de Oldenhavigerkant van wat nu het Riet(e)pad heet. Zoals zomers wel vaker gebeurt brak er plotseling een enorm onweer los boven Ruinen, gepaard gaande met felle bliksem. Ten gevolge hiervan werden twee paarden getroffen en vielen dood op de grond. De dieren zouden ter plaatse worden begraven. Als jongen zijnde was dat iets, waarbij je natuurlijk als toeschouwer aanwezig moest zijn. Een groepje jongens had zich derhalve verzameld om hiervan getuige te kunnen zijn, immers een dergelijk voorval vond niet elke dag plaats en verder viel er ook weinig of niets te beleven in Ruinen. Alvorens de paarden werden begraven, verschenen de broers Mozes en Bernard van Holland op het toneel om de dieren van hun huid te ontdoen. Mogelijk vond dit plaats op verzoek van het Paardenfonds maar dat staat niet vast. De huid was in deze omstandigheden nog het enige van de dieren wat nog van waarde was en beide broers knapten dit karweitje wel even op, zoals hen dit naar alle waarschijnlijkheid door hun vader, Abraham van Holland, was geleerd. Erg fijnzinnig ging het er ook niet aan toe. Toen bijvoorbeeld Mozes even zijn handen vrij moest hebben, stak hij zijn mes rechtop in het kadaver, wat hem op de nodige kritiek kwam te staan van de omstanders, die benedenwinds stonden te kijken. Overigens zagen beide mannen, Mozes en Bernard, er zeer onverzorgd uit, weet de verteller van dit verhaal zich te herinneren en, zo ging hij voort, weet ik mij ook nog te herinneren dat  het in hun huisje altijd geweldig stonk. Een ondefinieerbare lucht kwam je tegemoet als je daar bijvoorbeeld voor het overbrengen van een boodschap of iets dergelijks even moest zijn.

Dat met name ook Bernard van Holland er nogal onverzorgd uitzag, mede veroorzaakt door een zwarte baard van enkele dagen,staat ook in het geheugen gegrift van K.Kreulen.

 

Een touwgien umme de hals

In de zomer van 1942 liet mijn vader, Hendrik Kreulen zich inschrijven als klompenmaker, zo vertelt hij. De bezetter achtte het in het algemeen belang wenselijk dat er klompenmakers in het dorp actief bleven. Door deze inschrijving zou wellicht voorkomen kunnen worden dat hij zou worden te werkgesteld in Duitsland, alhoewel hij vóór die inschrijving ook al als klompenmaker werkzaam was, evenals overigens mijn grootvader, die daarnaast ook nog eens winkelier was. Mijn ouders hadden een winkel aan de Westerstraat A 436 (Westerstraat 5 ).

 

Achter de winkel was de klompenmakerij gevestigd, waar ik als jongetje veel rondscharrelde bij mijn vader. In de eerste jaren van de oorlog kwam Bernard van Holland daar iedere week binnenstappen; een jute zak over de schouder, om de houtkrullen uit de klompenmakerij op te halen. Na het vullen van de zak waren het steevast dezelfde woorden die hij sprak: “Mien jochie, ik zal hum even een touwgien umme de hals doen “. Alsof hij die woorden gisteren sprak !
De familie van Holland gebruikte de houtkrullen om er de kachel mee aan te maken. Bij gebrek aan stro lagen hun drie honden er ook op. Die honden werden voor de hondenkar gespannen om daarmee onder meer nuchtere kalveren te vervoeren naar de markt in Steenwijk

 

Reeds op 12 september 1921, toen zij nog aan de Brink in Ruinen woonden, was de familie Meiboom al in het bezit van een auto ( met kenteken D 2150 ) en hielden zij de er enige tijd later ook een hulp in de huishouding op na, Fem Luten

Een anekdote uit die periode, verteld door de kleindochter van Fem, Emmy Pothof, laat iets zien van Anna Meiboom.(op foto hieronder)

Mijn oma

Het gezin van Mannes Meiboom heeft binnen onze familie een bepaalde betekenis. Wij hebben de familie niet persoonlijk gekend maar er werd vaak over hen gesproken. Mijn oma, Femmechien Luten, heeft er als jong meisje gewerkt als hulp in de huishouding.

Fem werd geboren als oudste dochter in het gezin van Jan Luten en Zwaantien Luten – Prent. Na 2 jaar kwam er een “ nei poppien “en Fem ging voor een poosje naar haar grootouders. Op de één of andere manier is Fem altijd bij haar grootouders in het Witteveen gebleven. Als enige van het gezin Luten bezocht ze de school in Ansen en nadat zij deze had verlaten kwam Fem als dienstmeisje bij de familie Meiboom. ( dat zal rond 1923 zijn geweest omdat ze het vaak had over de kleine Meta ).

Zij leerde er veel. Mevrouw Meiboom onderwees haar in het huishouden maar ook in de Joodse gewoonten, zoals b.v. het koosjer koken. De familie stond open voor iedereen, ook voor andere gezindten. Zo mocht Fem wel dingen eten die voor de Joodse familie verboden waren, mits ze de pannetjes maar goed schuurde met kiezelsteentjes en zand en daarna in het “ onreine kastje “ zette.

De Sabbat bracht de familie in ere door, dan werkte Fem gewoon in de keuken en deed allerlei karweitjes. Op zondag kreeg Fem om de week vrij af en mocht ze de catechisatie bezoeken.

Dat mevrouw Meiboom een gezonde dosis humor bezat, bleek op een dag toen Fem de donkere ruimte boven het fornuis moest schoonmaken.

“Ik kan er geen Jood van zien”, riep een verhitte Fem, die vervolgens tot haar grote schrik de vrouw des huizes ontdekte. Mevrouw Meiboom antwoordde laconiek:” Geeft niks Fem, als je alles maar Christelijk schoonmaakt.”

De familie Meiboom had een winkel en de jonge Fem mocht nog niet echt helpen maar leerde veel over de negotie van Mannes en z’n vrouw.

Later, rond 1929, is Fem vertrokken bij de familie, is ze getrouwd en is zelf een winkel begonnen.

 

Vele keren vertelde Fem haar kinderen en later aan mij, haar kleindochter, het verhaal over Mannes Meiboom en het verdriet, toen ze na de oorlog hoorde dat de familie niet meer was teruggekomen in Ruinen. Ze vertelde vaak dat ze veel had geleerd van mevrouw Meiboom, dat ieder mens zijn eigen waarde heeft en dat je niet mag veroordelen. Dingen, die mijn oma doorgaf aan haar eigen kinderen. “ Mevrouw Meiboom was een lieve, wijze vrouw “, zei mijn oma dan, “ ik heb veel van haar geleerd “.

Eén ding, wat mijn oma van mevrouw Meiboom had geleerd, vond ik niet zo leuk n.l. de gelatine-pudding, waar ik als klein meisje van gruwde.

Een in mijn ogen enorme tulbandvorm werd door oma gevuld met gelatine drab.  Wanneer die stijf was geworden werd het gevaarte op een groot bord gestort en het gat in het midden werd dan opgevuld met groene drab. Het hele ding glibberde en bibberde en ik griezelde ervan wanneer ik dacht dat er een kwak op mijn bordje werd geschept. Ik noemde het dan in gedachte altijd die Joodse pudding!

Jaren later begreep ik waarom mevrouw Meiboom op deze manier het fleurige kleurige toetje opdiende. Omdat het zo feestelijk stond op tafel en iedere maaltijd beschouwd werd als een feest en er werd dankbaarheid getoond. Voor elke maaltijd. Elke dag opnieuw.

Ter herinnering aan de familie Meiboom en aan mijn oma Fem Slomp-Luten.