RUINEN ROOFT DE HEILIGE KEI UIT ODOORN

Boven: D.E en G.van H., de harde kern van de groep keienrapers nabij de geheime plek waar de steen tot voor kort begraven lag.

RUINEN/ODOORN - De dorpelingen van het Drentse Odoorn lopen met verhitte koppen rond. Ze zijn kwaad op die boerekinkels van Ruinen. En niet zo’n klein beetje ook. Want dat stelletje ongeregeld heeft het gewaagd om met hun ongewassen tengels hun heilige altaarsteen van Odoorn te roven.

Dieroffers

De steen van Odoorn? Kom nou, in Ruinen denken ze daar heel anders over. Ruim 5000 jaren heeft de bijna duizend kilo zware zwerfsteen dienst gedaan in Ruinen, een drie kwartier gaans van Odoorn. Op een open plek in het woud was de steen het middelpunt van de Germaanse godsdienst. Daar brachten de eerste bewoners van Drente hun dieroffers en riepen zij Thor, Wodan, Tiwaz en Donar aan. In de veertiende eeuw, het christendom was al lang en breed over Drenthe gekomen, verloor het offerblok zijn godsdienstige functie en werd zij tot stoepsteen van een klooster/herberg gedegradeerd.

Deurmat

De steen zou waarschijnlijk als onverslijtbare deurmat dienst hebben gedaan tot in lengte van jaren als op een fraaie dag in 1937 de amateurhistoricus Popping niet zijn rijwiel richting Ruinen had gestuurd. Op het erf van boer Willem Steenbergen moet de onderzoeker bijkans van zijn karretje gevallen zijn van verbazing. Want Popping zag wat nog niet eerder iemand voor hem had ontdekt. Die steen was een zeldzaam Germaans offeraltaar, compleet met runentekens. Tot op de dag van heden is er in ons land maar één zo’n tafel bekend. Opgetogen trapte onze historicus naar het dorp Odoorn om het grote nieuws mee te delen aan zijn vriend, dominee Harm van Lunzen, een verwoed verzamelaar van zwerfkeien. Dominee zou daar best het zijne van willen weten.

Gij zult...

De zieleherder, God hebbe zijn ziel, vergat in alle opwinding datgene wat hij zijn gemeente regelmatig voorhield: gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort. En hals over kop snelde de eerwaarde heer naar Ruinen. Welk een bof, bedacht domi- ” nee zich onderweg, boer Steenbergen was een volle oom van hem en het moest al heel vreemd gaan als dominee zijn familie niet onder tafel wist te praten zodat hij de steen mee kon nemen. Nee, dat zat wel goed. En ja hoor, oom Willem, ongetwijfeld groot kenner van akkerbouw, bleek een stuk onbenul op het gebied van de prehistorie en knikte braaf ja toen zijn gestudeerde oomzegger om die armzalige brok steen vroeg.

In de tuin

Kort en goed, nog diezelfde maand van het jaar 1937 ging de historische vondst op transport naar Odoorn waar hij een mooie plek kreeg toebedeeld in de royaal bemeten voortuin van de pastorie. Dat de boer, eenmaal gehoord hebbende welke kostbare schat hij daar gratis voor niks had weggegeven, alle moeite deed om de steen terug te krijgen, is weliswaar aardig om te weten, maar van geen enkele invloed op de historie. Want dominee hield voet bij stuk, onder het motto: Eens gegeven blijft gegeven. Een 22 jaar lang heeft dominee plezier beleefd aan het mooiste stuk uit zijn fraaie verzameling stenen als hij in 1969 komt te overlijden. Per testament vermaakt hij zijn hele hebben en houden, dus ook het offerblok, aan zijn ongehuwde dienstmaagd Lammechien Smidt die, samen met twee bloeddorstige waakhonden, alleen achterblijft in de grote pastorie.

Ruiners

En zo zou het gebleven zijn tot in lengte van jaren als in de nacht van 1 april niet vijftien geheimzinnige schaduwen het slapende dorp waren binnengeslopen. Vijftien Ruiners waarvan tot op heden niemand de identiteit weet, maar die, in nog geen twee weken tijd, de gemoederen hevig hebben verhit. Niemand in Odoorn heeft wat van hun snelle actie gemerkt. Het was dan ook perfect, met militaire precisie, voorbereid. Wekenlang zijn de guerrillos, de toepamaros van Ruinen, in het geniep aan het werk geweest. Ze hebben de steen gemeten, de omgeving gefotografeerd en vanuit de plaatselijke kroeg de tijden berekend. Er kon eenvoudig niets meer misgaan. Zwijgend, ervoor zorgend geen sporen na te laten, voerde de strafexpeditie haar taak gewetensvol uit. Zo zachtjes dat zelfs de agressieve waakbeesten van juffrouw Lammechien niet wakker werden. Om vier uur die nacht was de steen terug in Ruinen. Terug van precies 41 jaar weg geweest. Odoorn ontwaakte op die zaterdagmorgen en nog voor de ochtendkoffie was heel het dorp op de hoogte: de steen was verdwenen. Wie kon dat geflikt hebben? Maar ook in Ruinen, waar de kei triomfantelijk op de Brink te pronk lag, keek iedereen iedereen scheef aan. Wie was de dader? De vrijwillige brandweer, keurige gemeente-ambtenaren, cafébazen, schoolmeesters, het raadslid en de kapper, iedereen was verdacht. En de vijftien geheimzinnige daders, de groep die zich de "Keiologen” noemt, lachte in hun vuistje.

Takelwagen

Tot er na drie dagen een Odoornse takelwagen op de Brink verscheen, die de steen, in opdracht van de politie van Odoorn terug moest voeren naar de tuin van juffrouw Lammechien die, dat spreekt, inmiddels aangifte van diefstal had ge? daan. Gelukkig voor de geheimzinnige vijftien wilde een koppige Ruiner zijn geparkeerde auto niet verzetten zodat de takelwagen zonder steen naar huis moest. Maar de guerrilla’s waren gewaarschuwd. Misschien dat nu een strafexpeditie van Odoorn op pad zou gaan. De vijftien kwamen in spoedzitting bijeen en nog diezelfde nacht werd de steen, ze hadden nu ervaring, in twee minuten van de Brink verwijderd. Maar het kwaad is dan al geschied. Een hotelier heeft het nummer van de aanhangwagen doorgegeven aan de politie, die enkele uren later bij twee van de vijftien keislepers op de stoep staat. Maar geen nood, de politie, nog altijd denkend dat het om een uit de hand gelopen 1 april-mop gaat, geeft uitstel: als de steen voor vannacht weer in de pastorietuin ligt, zal er niet tot vervolging worden overgegaan.

Gevolgen

Wat de groep van 15 gaat doen is nog onzeker. Na enig speurwerk treffen wij twee van de keikapers op een schuiladres in de polder. De twee, ze behoren tot de radicale kern, willen wat er ook gebeurt de steen in Ruinen houden. Maar zij willen ook de eenheid in de groep bewaren en beseffen terdege dat een strafblad voor een ambtenaar (er zijn verschillende overheidsdienaren onder de vijftien) desastreuze gevolgen kan hebben.

Begraven

D.E. en G van H., brengen ons als eerste en enige buitenstaander naar de geheime plaats in het bos waar de offersteen begraven ligt.: "De groep moet nog bijeen komen om te overleggen wat we gaan doen. Als de steen terug gaat wil dat niet zeggen dat we ons bij de feiten neerleggen. De steen hoort in Ruinen en eens zal hij hier terugkeren.” Het lijdt geen twijfel: de zware offersteen is een (O)doorn in het oog van de Ruiners.

Bron: Algemeen Dagblad, 15 april 1978